Flow -de voorwaarden-

Een flow-ervaring voldoet volgens onderzoek van Csikszentmihalyi aan acht voorwaarden. Dit blijkt uit onderzoek van Csikszentmihalyi (2003) waar tienduizenden respondenten aan hebben deelgenomen. De eerste voorwaarde is het stellen van ‘duidelijke doelen’. Bij deze voorwaarde is het belangrijk om duidelijk te hebben welke taken er verricht moet worden om een doel te behalen, om ervoor te zorgen dat iemand op kan gaan in een activiteit. De voldoening komt uit het maken van stappen richting het doel. Het daadwerkelijk bereiken van het doel is minder belangrijk. Enkel doelgericht werken kan zelfs de flow-ervaring bedreigen (Dewulf, 2012). Een tweede voorwaarde is ‘contextspecifieke feedback’. Directe feedback op een actie zorgt ervoor dat mensen verdiept blijven in de flow-ervaring. Feedback kan worden gegeven door betrokkenen of kan besloten liggen in de activiteit zelf. Een derde voorwaarde is het in evenwicht houden van ‘uitdagingen en vaardigheden’. Als een taak te eenvoudig is, ontstaat verveling. Als een taak een te grote uitdaging is, ontstaat er angst. In een formule zijn de ideale omstandigheden samen te vatten om flow-toestand uit te drukken: ‘Flow doet zich voor als zowel uitdaging als vaardigheden van een hoog niveau en evenredig aan elkaar zijn’ (Dewulf, 2012, p254). De vierde voorwaarde is een ‘toenemende concentratie’. Betrokkenheid en opgaan in een activiteit is kenmerkend voor flow en gebeurt wanneer iemand geconcentreerd is. Concentratie en bewustzijnsvernauwing gaan gepaard met elkaar en kan vervolgens leiden tot een gevoel van extase zo schrijft Dewulf (2012). Voorwaarde vijf is de aandacht die ligt op het ‘hier en nu’. Een flow-toestand trekt alle aandacht waardoor problemen en zorgen niet door de geest doordringen. Er is dan ook geen aandacht op het verleden en de toekomst, maar op het heden. Het verdringen van onaangename gedachten leiden tot groei. De zesde voorwaarde is het ‘volledig beheersen van de situatie’. Dewulf (2012) schrijft dat in tegenstelling tot vele situaties, men in een flow-ervaring niet wordt lastig gevallen met regels of gezag van anderen, maar zelf een gevoel hebben van beheersing. Hierbij gaat het er om dat mensen de mogelijkheden hebben om voor elkaar te krijgen wat men wil. Dit gaat verder dan alleen het willen controleren van een situatie. Mensen hebben niet de behoefte om een situatie te controleren, omdat zij in een flow-toestand, vertrouwen hebben dat ze in staat zijn vanuit mogelijkheden een situatie eigen te maken. De zevende voorwaarde voor flow is de component dat ‘tijd anders wordt ervaren’. Tijdens een flow-ervaring is het tijdsbesef weg. Tijd wordt heel anders ervaren. Dit komt omdat iemand in een flow-toestand helemaal opgaat in een activiteit. Het verliezen van tijdsbesef hoeft niet altijd een belemmering te zijn omdat een professional ook zonder dat besef goed kan schakelen van de ene naar de andere activiteit (Dewulf, 2012). De laatste voorwaarde is het ‘egoverlies’. Mensen in een flow vergeten even zichzelf en vergeten zorgen en problemen. Het bewustzijn valt weg tijdens een flow-ervaring omdat de concentratie niet uitgaat naar iemand zelf, maar naar de activiteit. Door het verlies van ego krijgt men meer het gevoel deel uit te maken van een groter geheel zoals een community (Dewulf, 2012).

Een aantal van deze acht voorwaarden lijken op bijverschijnselen van flow en niet alle voorwaarden zijn empirisch onderzocht (Asakawa, 2004, Bakker, 2005, Salanova, 2006). Voorwaarden die wel empirisch zijn onderzocht zijn uitdaging, regelmogelijkheden, positieve feedback en actie. Uitdaging is volgens Csikszentmihalyi (1997) zelfs een absolute voorwaarde. Mensen voelen zich op een positieve manier uitgedaagd als er een evenredige balans is tussen vaardigheden en de taak. Bakker (2005) en Asakawa (2004) hebben dit aangetoond in hun onderzoeken. Zo toonde Asakawa aan dat in uitdagende situaties, studenten meer in een flow zaten. In figuur 1 is in een grafiek de verhouding tussen de uitdaging en vaardigheden voor flow weergegeven. De letters ‘A’ met daarachter een cijfer geeft een persoon (Alex) weer die Csikszentmihalyi gebruikt om de ontwikkeling van deze persoon weer te geven. Zo kan A1 als een beginsituatie worden gezien, waarna iemand zich begeeft naar A2 of A3. Respectievelijk iemand die vaardig is geworden in een taak, maar weinig uitdaging heeft en iemand die een grote uitdaging heeft, maar daar vaardigheden voor mist. Afhankelijk van de situatie A2 of A3 is het zaak te begeven naar A4, waar uitdaging en vaardigheden evenredig met elkaar in balans zijn. In het geval van A4 bevindt iemand zich in een flow.

Flowgrafiek
Figuur 1: Toename van complexiteit binnen flow. Csikszentmihalyi (2010), Flow: Psychologie van de optimale ervaring. Amsterdam: Boom.

De tweede vanuit onderzochte voorwaarde is het hebben van regelmogelijkheden ofwel; beheersing van de situatie. Csikszentmihalyi (2010) schrijft in zijn theorie dat het hebben van regelmogelijkheden positief werkt op flow. Dit wordt door enkele onderzoeken bevestigd. Zo toonde Asakawa (2004) aan dat studenten meer in een flow geraken als zij het gevoel van beheersing hadden over de situatie. Schernoff (2003) heeft in dit kader van beheersing een verband gevonden tussen regelmogelijkheden van studenten over hun leeromgeving en flow. Ook Jackson en Marsh (1996) toonden een dergelijk samenhang aan, maar dan onder sporters.

De derde voorwaarde voor flow is het ontvangen van positieve feedback. Csikszentmihalyi (1997) beschrijft dit in zijn theorie en onder andere Schernoff (2003) toonde dit aan. Studenten die positieve, aanmoedigende en opbouwende instructies kregen van een docent ervoeren in de studie van Schernoff (2003) meer flow. Terwijl Schernoff dit effect aantoonde bij studenten, toonde Salanova (2006) het ontvangen van feedback in relatie met flow aan bij werknemers. Positieve feedback heeft een positieve weerslag op de flowbeleving en de werkresultaten van werknemers.

De vierde, en laatste, onderzochte voorwaarde voor flow is ‘actie’. Zo zijn mensen meer in een flow tijdens hun werk dan in hun vrije tijd. Dit blijkt uit onderzoek van Csikszentmihalyi en LeFevre (1989). Flow wordt namelijk nauwelijks of niet ervaren als iemand passief is en wel als iemand actief is. Op het werk voeren mensen actie uit, terwijl in de vrije tijd van mensen deze actie minder is. Behalve als mensen in hun vrije tijd sporten of bijvoorbeeld in gesprek zijn met vrienden. Deze conclusie wordt ook getrokken in een schoolsituatie. Zo heeft onder andere Schernoff (2003) onderzocht en geconcludeerd dat studenten meer in een flow zitten als er actieve werkvormen worden gebruikt in tegenstelling tot passief het onderwijs te volgen.

Uit de onderzochte voorwaarden van flow kan echter een kanttekening worden geplaatst. De onderzoeken naar de voorwaarden tonen enkel een correlationeel verband aan. Er is nog nooit geprobeerd flow te manipuleren (Asakawa, 2004, Bakker, 2005, Salanova, 2006). Om flow te beïnvloeden zijn er wel interventiemethodes mogelijk zoals de Appreciative Inquiry (AI). Deze methode bevat de vier voorwaarden van flow (Bushe & Kassam, 2005, Cooper, 2005, Haar & Hosking, 2004).


Bron: Vermulst, R. (2015). Flow in het hbo: een onderzoek naar flow binnen een hbo opleiding. (p. 9-11)


 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s